In het hiernamaals van de platenhoes
Een plaat maken is één, ze verpakken twee. In de jaren 1920 kwam iemand op het idee van een papieren zak die net zo groot en plat was als de plaat, en in het midden een groot gat vertoonde. Alle fabrikanten namen het over en drukten hun merknaam op de zak: Columbia, Polydor, Pathé, His Master’s Voice, Telefunken etc, summier opgesierd met muzieknoten of bliksemschichten. Voor- en achterzijde van de zak waren identiek en er stond verder geen tekst op, wat de zakken onderling verwisselbaar maakte. Alleen op de plaat zelf kon je lezen om welk muziekstuk het precies ging, en daarom was er in die zak een gat. Die papieren hoezen vertoonden allemaal hetzelfde, onbegrijpelijke gebrek: het papier was veel te zwak om de harde, bijna 200 gram zware 78-toerenplaat voldoende steun te geven. De zak scheurde dus binnen de kortste keren, zodat de plaat eruitgleed en kapot viel want ze was van breekbaar en onbuigzaam schellak. Toch kwam in al die jaren geen enkel merk op het idee, een sterkere zak te fabriceren.
Toen kwamen de jaren 1950 aanzetten, die de zegening brachten van de lp. In één moeite werden de hoezen aangepast: die waren voortaan van geplastificeerd karton, en kregen een voor- en achterzijde. Op de voorkant kwam een grote afbeelding en vanachter was plaats voor tekst en kleinere zwartwitfoto’s. Algauw verschenen aantrekkelijke, grafisch mooi verzorgde hoezen, allereerst in de jazz, want de bebop en de cool waren bedoeld voor een gesofistiqueerd publiek. Voor de populaire muziek nam men zoveel moeite niet. Elvis moest het met een foto van zijn kop stellen, eventueel met nog wat hoelameisjes in een Cadillac op de achtergrond.
Met de doorbraak van de popmuziek nam de platenproductie enorm toe en werd het bedenken van een originele en opvallende hoes een topprioriteit. Andy Warhol, die in de vijftiger jaren al hoezen had getekend voor Count Basie en Thelonious Monk, was inmiddels uitgegroeid tot de symbool-figuur van de pop-art, maar bleef zich voor de platenhoes interesseren. Sommige van zijn ontwerpen uit de sixties (de pelbare banaan voor Velvet Underground, de jeans met echte rits voor de Stones) bereikten wereldfaam. Voor kunstenaars werd het een prestigezaak, een hoes te mogen ontwerpen. Peter blake ontwierp de hoes voor Sgt. Pepper’s, Rauschenberg maakte een transparante hoes voor een transparante plaat van de Simple Minds. Alleen de klassieke muziek bleef zich beperken tot een glanzende cello, pianotoetsen met een roos, het borstbeeld van Chopin of de pathetische kop van Elisabeth Schwarzkopf of Dietrich Fischer-Dieskau. Toch waren ook hier uitzonderingen, want ik bezit nog een lp waarop Glenn Gould, dirigent Stokowski en Ludwig van Beethoven (met hoorapparaat) samen in de kabine van een ouderwetse camion zitten, alledrie met vastberaden blik.
Geen halve eeuw later had de lp zijn beste tijd gehad. De cd reduceerde de hoes tot een veel te dik en Umweltunfreundlich plastieken doosje dat goedbeschouwd niet minder dwaas is dan de papieren omhulsels van voor de oorlog. In de winkel ziet het er nog presentabel uit, maar veertien dagen later is het plastiek helemaal mat geworden en vol krassen. Het barst ook gemakkelijk of valt uit elkaar. En dan proberen ze nog wat extra te verdienen door lege vervangdoosjes te verkopen, de sukkels, iets waar ze ten tijde van Pathé en Telefunken nog te fatsoenlijk voor waren. De haast onleesbaar kleine tekst en vaak krampachtig samengedrukte afbeelding op de cd kunnen de tijd van de lp onmogelijk doen vergeten.
Maar goed dus, dat er opnieuw vinyl gemaakt wordt. Het is zelfs nooit helemaal weggeweest. De alternatieve circuits die nieuwe lp’s op de markt brengen laten de hoezen ontwerpen door kunsttenaars, voor zover ze al niet door kunstenaars worden gerund. Niettemin ver-klaarde in 2008 ontwerper Peter Saville de platenhoes dood. Maar het is al vaak gebleken dat een doodverklaring het signaal is voor een revival.
Met het blanco hoezenproject van de Wolkenbreiers krijgen 100 kunstenaars de gelegenheid om het ook eens te proberen en te ontdekken dat het ontwerpen van een goede platenhoes minder simpel is dan het lijkt. Met als eigenaardig resultaat dat elke plaat er anders komt uit te zien en de muziek dus zijn visuele identiteit verliest. Als kunstwerk is een hoes ook iets heel aparts, want een ‘double face’. Wat zei Grote Roerganger Mao ook weer? ‘Laat duizend bloemen bloeien.’ Tenzij hij ’t van iemand anders had, die hij in de Gele Rivier liet gooien, dat kan natuurlijk ook.
Paul Ilegems
sluiten |